elkaar

Thesaurus
Vertalingen

elkaar

einandereachother, oneanother, each other, interact, nestde, entre eux, etc.) l'autre, l'un (à, réciproquement, se, mutuellement, nous (ɛlˈkar)
voornaamwoord
1. <woord waarmee je aangeeft dat de een naar de ander hetzelfde doet als de ander naar de een> elkaar een zoen geven elkaar helpen
2. <woord zonder eenduidige betekenis, vaak in combinatie met een voorzetsel>
de een achter de ander
de een bij de ander
rommelig worden, vermengen
de dingen verwarren
de samenstellende delen scheiden, demonteren
iets monteren, maken
dat komt goed
niet meer samenwonen