elf

Thesaurus

elf:

elfjevoetbalelftal, elftal,
Vertalingen

elf

(ɛlf)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
klein meisjesfiguur met vleugels uit sprookjes een verhaal vol heksen, feeën, elfjes en kabouters

elf

elfeleven, elf, bansheeonze, lutin, elfe, sylpheέντεκαelfo, onzeundiciأَحَدَ عَشَرَjedenáctelleveonceyksitoistajedanaest十一11ellevejedenaścieодиннадцатьelvaสิบเอ็ดon birmười một十一 (ɛlf)
telwoord
11
groep mensen die Prins Carnaval helpt