ei

Vertalingen

ei

Eieggœuf, bêta/bêtasseαβγόhuevouovoeggяйцоبَيْضَةvejceægkananmunajajejajkoovoäggไข่yumurtatrứng鸡蛋 (ɛi)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -eren
1. cel waaruit na bevruchting een embryo kan groeien Het eitje wordt al in de eileider bevrucht.
2. product van een vogel een ei leggen een ei uitbroeden gebakken eieren met spek geklutste eieren een hardgekookt ei
makkelijke klus
een verrassend simpele oplossing
zo simpel is het
tevreden zijn met minder dan je eigenlijk had gewild
niet kunnen zeggen of doen wat je eigenlijk had gewild
heel voorzichtig te werk gaan
beter weinig dan niets
met iemand nog een lastig gesprek moeten voeren