eerlijk

Thesaurus

eerlijk:

fairtrouwhartig,
Vertalingen

eerlijk

ehrlich, anständig, bieder, brav, honett, rechtschaffen, tapfer, tüchtig, wackerhonest, brave, gallant, above‐board, fair, candid, frankhonnête, brave, vaillant, franchement, sincérement, sincèrement, juste, loyal, loyalement, correct, honnêtement, égal, sincère, proprementчестныйonesto, francoأَمِيـنčestnýærligειλικρινήςhonrado, justorehellinenpošten正直な정직한ærliguczciwyhonestoärligซื่อสัตย์dürüsttrung thực诚实的 (ˈerlək)
bijvoeglijk naamwoord
oneerlijk zonder leugens of bedrog een eerlijke verdeling van de opbrengst Jij speelt vals, dat is niet eerlijk.
heel eerlijk
<dat zeg je als je moet toegeven dat iets waar is>
eigenlijk ga ik nu liever naar huis