eens

Thesaurus

eens:

ooit
Vertalingen

eens

(ens)
bijvoeglijk naamwoord
met dezelfde mening
tot overeenstemming komen
we hebben precies dezelfde mening

eens

einmal, ehemals, eines Tages, einst, einstens, einstmals, irgendwann, je, jemals, mal, einigonce, ever, sometimes, atsometime, onetime, onoccasion, sometime, onejadis, une fois, un jour, d'accord (avec qn sur), deux fois, un (beau) jourtalvolta, una voltaمَرَةٌjednouen gangάπαξuna vezkerranjednom一度한 번en gangrazuma vezоднократноen gångครั้งหนึ่งbir seferindemột lần一次 (ens)
bijwoord
1. op een bepaald moment in het verleden of in de toekomst Wanneer kom je weer eens langs? Ik heb hem wel eens gezien, maar dat is lang geleden.
2. nog een keer Na de pauze duurde de film eens zo lang.
3. <woord dat een bevel of verbod een beetje vriendelijker doet klinken> Luister eens! Zeg eens!
4. wat je zegt als je iets gaat onderzoeken
zelfs niet