eenmaal

Thesaurus

eenmaal:

eenmalig
Vertalingen

eenmaal

ehemals, einmal, einst, einstens, einstmals, irgendwann, je, jemalsever, atsometime, once, onetime, sometimejadis, un jour, jamais, une foisa secondoمرة واحدةΜία φοράВеднъж一次一次JednouKerranפעם אחת한 번En gång (ˈenmal)
bijwoord
1. één keer
<woorden waarmee een veilingmeester vaststelt dat iemand iets heeft gekocht>
2. op een bepaald moment is het verleden of in de toekomst Als ik eenmaal met pensioen ben, dan ga ik een grote reis maken. Toen ze dat eenmaal had gezegd, wilde hij altijd bij haar blijven.
3. <om aan te geven dat iets niet meer te veranderen is> Die dingen gaan nu eenmaal zo.