| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.780.491.765 Bezoekers. |
|
eenmaal |
0,01 sec. |
|
eenmaal bw eenmaal [ˈenmal]
1 één keer;= eens 2 op een bepaald moment is het verleden of in de toekomst;= ooit;= eens Als ik eenmaal met pensioen ben, dan ga ik een grote reis maken. Toen ze dat eenmaal had gezegd, wilde hij altijd bij haar blijven. 3 om aan te geven dat iets niet meer te veranderen is Die dingen gaan nu eenmaal zo. Eenmaal, andermaal, verkocht. woorden waarmee een veilingmeester vaststelt dat iemand iets heeft gekocht Thesaurus eenmaal: eenmalig Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|