een

Thesaurus

een:

eneeentje,
Vertalingen

een

(en)
bijvoeglijk naamwoord
verbonden een zijn met de natuur

een

(en)
telwoord
het cijfer 1 in één ruk één voor één stapten ze in één plus één is twee
ik luister heel goed
allemaal tegelijk
helemaal alleen

een

ein, eins, eine, eine Aktie zeichnen, eine Anleihe zeichnen, prägen, eineran, one, a, break wind, cast, globe-trotun, un/une, une, environ, le/la, aucununo, unun, un, uno, unoاداة نكرة في الانجليزية ولا يعادلها شئ في العربية, وَاحِدٌjeden, jedna, nějakýenένα, έναςyksijedan一, 一つ, 一つの1, 어떤 하나의, 하나en, manjeden, rodzajnik nieokreślony, nie tłumaczy się na język polskiumодин, первыйen, manคนหรือสิ่งหนึ่ง, หนึ่งbir, birisimột, 一个, 一个人 (ən)
lidwoord
1. <woord dat voor een enkelvoudig zelfstandig naamwoord staat zonder het precies aan te geven> Wil je een boek of een cd voor je verjaardag?
2. een zekere Er heeft een mevrouw Jansen voor je gebeld.
3. er zaten veel mensen in de zaal
ik denk aan mensen als Havel of Mandela