dutje

Thesaurus

dutje:

tukje
Vertalingen

dutje

somme, petit sommeغَفْوَةٌ, نَوْمَةٌ خَفِيفَةdřímání, šlofíklurNickerchenυπνάκοςnap, snoozecabezada, siesta, siesta brevenokoset, torkutdrijemežsonnellinoうたたね, 居眠り낮잠, 선잠høneblund, lurdrzemkasesta, sonecaдремотаtupplurการงีบหลับkestirme, tavşan uykusugiấc ngủ ngắn小睡, 打盹儿 (ˈdʏcə)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -s
kort slaapje na het eten even een dutje doen een middagdutje