duizelen

Vertalingen

duizelen

avoir le vertige, tourner (ˈdœyzələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd duizelde , voltooid deelwoord heeft geduizeld
duizelig maken; in verwarring brengen Die ontdekking deed de geleerden duizelen.
het wordt me te veel, ik kan het niet meer begrijpen Ik heb nog maar drie hoofdstukken gelezen en het duizelt me al.