duister

Vertalingen

duister

(ˈdœystər)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
1. licht plaats waar het donker is in het duister onder een schemerlamp zitten lezen
2. nog niets weten (over) De politie tast nog volledig in het duister over de oorzaak van de brand.

duister

dunkel, Dunkelheit, finster, trübedark, indistinct, murk, darkness, dimobscur, obscurité, sombre, touffu, confu, ténères, trouble, louche, obscurément, noir, nuageuxobscuro, oscuroobscuroтёмныйMørkTmavýTummaciemny暗いscuroMörk (ˈdœystər)
bijvoeglijk naamwoord
1. zonder licht een duistere nacht
2. onduidelijk een duister vermoeden hebben dat iets niet goed gaat
3. dubieus Dat is een duister zaakje.