duimen

(doorverwezen van duimde)
Vertalingen

duimen

(ˈdœymə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd duimde , voltooid deelwoord heeft geduimd
1. op je duim zuigen Kinderen duimen.
2. met je duimen en wijsvingers een speciale beweging maken om iemand succes te wensen Heb je morgen examen? Ik zal voor je duimen.