dopen

Vertalingen

dopen

taufenbaptize, christenbaptiser, tremper, doperβαφτίζωbattezzare (dopə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd doopte , voltooid deelwoord heeft gedoopt
1. kort (in een vloeistof) doen een stukje brood in de olijfolie dopen
2. religie water op iemands hoofd druppelen bij de plechtigheid om hem toe te laten tot de christelijke kerk een kind dopen