dop

Vertalingen

dop

Schale, Borke, Hülse, Rindehusk, shell, bark, peelcoque, coquille, écorce, bouchon, cosse [haricots], châsse, cosse, gousse, capsule, épluchureقِشْرskořápkaskalκέλυφοςcáscarakuoriškoljkaconchiglia껍데기skjellskorupkacascaраковинаsnäckaเปลือกkabukvỏ (dɔp)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -pen
1. rond schijfje om een fles af te sluiten de dop op de fles doen
2. harde schil om een noot of vrucht de dop van een pinda
3. opletten waar je loopt Je staat op mijn teen. Je moet uit je doppen kijken.