doorvoeren

Vertalingen

doorvoeren

anwenden, ausführen, ausrichten, verwendenachieve, apply, practice, accomplish, actoutappliquer, pratiquer, réaliserapplicare, esasperare (ˈdorvurə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd voerde door , voltooid deelwoord heeft doorgevoerd
zorgen dat iets gebeurt veranderingen doorvoeren