doorbrengen

Thesaurus

doorbrengen:

verslijtenslijten,
Vertalingen

doorbrengen

verbringen, angeben, herreichen, zubringenspend, passpasser, donner, userтратитьgastarstrávit過ごす (ˈdorbrɛŋə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd bracht door , voltooid deelwoord heeft doorgebracht
ergens zijn of iets doen (in de genoemde tijd) je vakantie doorbrengen in het buitenland je zaterdag doorbrengen met sporten