donker

Thesaurus

donker:

duisteronverlicht,
Vertalingen

donker

(ˈdɔŋkər)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
licht situatie dat het donker (1) is in het donker naar huis moeten fietsen

donker

dunkel, Dunkelheit, düster, finster, trübedark, murk, obscure, bleak, darkness, dim, dismal, dreary, blacksombre, obscurité, noir, foncé, obscur, ténères, triste, d'un air sombre, en foncé, brunoscuro, obscuro, oscuridadтёмный, темный, тьмаداكِن, ظَلام, مُظْلِمtma, tmavýmørk, mørke, mørke-σκοτάδι, σκοτεινός, σκούροςpimeä, tummamračan, mrak, tamanbuio, scuro暗い, 濃い, 闇어두운, 어둠mørk, mørkeciemność, ciemnyescuro, pretomörk, mörkerเข้ม, ความมืด, มืดkaranlık, koyubóng tối, tối đen, tối tăm深的, 黑暗, 黑暗的 (ˈdɔŋkər)
bijvoeglijk naamwoord
1. lichthelder met weinig of geen licht een donkere kelder een donkere dag met regen en donkere luchten
2. (van kleuren) niet licht en helder maar in de richting van zwart donker bier een donkere jas donkerblauw donkergeel