donderen

(doorverwezen van donderde)
Thesaurus

donderen:

onweren
Vertalingen

donderen

donnernthundertonner, retenir, dégringoler, flanquer (par terre) (ˈdɔndərə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd donderde , voltooid deelwoord heeft gedonderd
1. het geluid van donder maken het in de verte horen donderen met donderend geraas naar beneden vallen
2. nogal ruw naar beneden gaan of gooien Ik donderde van de trap. Ik donderde hem van de trap.
3. het maakt niets uit Of hij nu komt of niet, het dondert niet.