dof

Thesaurus

dof:

versuftglansloos,
Vertalingen

dof

obtuse, dullobtus, sourd, terne, étouffé, mat, morne, sourdement, éteint, vitreuxStumpfmatnýמשעמם무딘opacosordo (dɔf)
bijvoeglijk naamwoord
1. zonder glans De verf is na al die jaren dof geworden. Je ogen staan dof.
2. niet helder klinkend Ik hoor een doffe knal.