doen

Thesaurus

doen:

exporterenuitrichten, doet, tenuitvoerleggen, verrichten, uitvoeren,
Vertalingen

doen

machen, tun, agieren, anfertigen, handeln, herstellen, leiten, veranlassen, verfahren, vorgehen, wirken, zurücklegendo, make, act, cause, achieve, get, perform, takeaction, antic, harrow, pantsfaire, agir, construire, fabriquer, opérer, poser, rendre, mettre, accomplir, activité, conduite, exécuter, fonctionner, marcher, se conduire, appliquerhacer, construiragire, atto, azione, funzionare, legge, vertere, fareيَفْعَلُdělatgøreκάνωtehdäučiniti・・・をする(...을) 하다gjørezrobićfazerделатьgöraทำyapmaklàm (dun)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd deed , voltooid deelwoord heeft gedaan
1. een handeling verrichten Wat ben je aan het doen? een boodschap doen lief tegen iemand doen
het kan niet anders, je moet dit accepteren
zorgen dat iemand iets doet dat jij wilt Ik kreeg van hem gedaan dat hij me naar huis bracht.
seks hebben met elkaar
2. werken De lamp doet het niet. Na de reparatie doet de printer het weer.
3. (op een plaats) brengen een zakdoek in je zak doen kaas op je boterham doen
4. ik ervaar dat als ... Zijn hartelijkheid doet me goed. Zijn vrolijkheid doet me plezier.
5. ik laat me er niet door beïnvloeden
6. wie kan me tegenhouden?
7. in orde maken de kamer doen je haar doen
8. ervoor zorgen dat iets gebeurt Dat afstapje deed hem vallen.