doek

Thesaurus
Vertalingen

doek

(duk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. textiel zeildoek
2. theater gordijn op het podium Als het toneelstuk begint, gaat het doek op.
3. scherm in een bioscoop waarop je de film ziet helden van het witte doek

doek

Bild, Gardine, Gemälde, Leinwand, Linnen, Schärpe, Tuch, Vorhang, Stoffcloth, curtain, painting, linen, picture, cloutlinge, rideau, toile, chiffon, écran, bout d'étoffe, étoffe, voile, tissutelapittura, pannoقُمَاشlátkaklædeπανίkangastkanina布地kledetkaninapanoтканьtygผ้าkumaşvảiבד (duk)
m meervoud -en
stuk stof stofdoek zakdoek een doek om je handen af te drogen een wollen doek om je schouders doen
iets dat een teleurstelling goed moet maken maar niet echt helpt
iets vertellen
duidelijk zeggen wat je wilt