dit

Vertalingen

dit

dies, diese, dieser, dieses, dasthis, these, thisherececi, ce, cela, celle‐ci, celui‐ci, ça, ce [être], celui-ci/celle-ci, cet, cette, ce/cet/cette, celui-cieste, éste, estoهذا, هَذَا أَوْ هَذِهِtahle, totodenne, detαυτός, τούτοςnäin, tämäovaj, ovoquestoこの, これ이, 이, 이것, 이것denne, dette, taki, toeste, istoэто, этотden här, denna, dettaนี้, สิ่งนี้bucái này, này, người/vật này这个Товаזה (dɪt)
voornaamwoord
1. <je gebruikt dit woord als je iets aanwijst> Wil je dit boek of dat boek hebben?
2. <je gebruikt dit woord als je naar iets wijst dat dichtbij is> In dit huis ben ik geboren.
3. <je gebruikt dit woord als je over iets praat dat al eerder gezegd is> Ik heb spijt van mijn oneerlijkheid. Dit doe ik nooit meer.
4. over allerlei dingen praten