ding

Vertalingen

ding

Ding, Angelegenheit, Gegenstand, Objekt, Sache, Werkthing, affair, business, case, matter, object, article, businessdeal, thingamajig, whatchamacallit, hickeychose, objet, produit, affaire, petite, machin, machine, outil, truc, ustensile, causecosaaffare, affari, faccenda, cosaشَئْvěctingπράγμαesinestvar물건tingrzeczcoisaвещьsakสิ่งของşeyđồ vật东西нещо (dɪŋ)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. <woord dat je voor alles kunt gebruiken dat geen mens of dier is> Er liggen allerlei dingen op de tafel. Een gesprek over allerlei dingen.
2. een (seksueel) aantrekkelijk persoon