dienst

Thesaurus
Vertalingen

dienst

Dienst, Gottesdienst, Serviceservice, worshipservice, favor, mess, officeservice, office, office religieux, emploi, bureaufavor, servicioservizio, attèndere, funzione, manutenzioneخِدْمَةslužbaserviceυπηρεσίαpalveluuslugaサービス서비스serviceusługaserviçoобслуживаниеtjänst, Serviceการบริการhizmetdịch vụ服务服務שירות (dinst)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. keer dat je iemand helpt Je bewijst een blinde vrouw een dienst als je haar helpt met oversteken. Een automatiseringsbedrijf verleent betaalde diensten aan andere bedrijven om de computers goed te laten werken.
2. afdeling met een eigen takenpakket De technische dienst komt alles repareren. geneeskundige dienst
3. tijd dat je werkt Als mijn dienst is afgelopen, ga ik naar huis om te eten.
iemand aannemen als werknemer
de baas zijn Ik maak hier de dienst uit.
4. militair meervoud g.mv. tijd dat een soldaat in het leger is in militaire dienst zijn
5. niet gebruikt kunnen worden De lift is buiten dienst omdat hij kapot is.
6. de functie hebben van Een muurtje kan dienst doen als plaats om te zitten.