dienen

Vertalingen

dienen

dienen, bedienen, müssen, sollenserve, must, should, haveto, oughtto, await, functionservir, devoir, être obligé, de), être utile à, failloir, faire son service (militaire), qc), servir (à, servir (qn, mériterdebbono, servireيَخْدِمُsloužittjeneυπηρετώservirpalvellaslužiti仕える섬기다servereobsłużyćservirобслуживатьtjänaบริการhizmet etmekphục vụ服务 (ˈdinə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd diende , voltooid deelwoord heeft gediend
1. bedoeld zijn (voor) Ramen dienen om lucht en licht binnen te laten.
2. militair soldaat zijn Hij heeft twee jaar in het leger gediend. De militairen moet langer dienen dan verwacht.
3. moeten, behoren Men dient zich te houden aan de regels.
4. iemand advies geven over De dokter kan je van advies dienen over een gezonde manier van leven.
5. iets niet willen Ik ben niet gediend van je vleiende houding.