die

Thesaurus

die:

diegene
Vertalingen

die

das, jene, der, derjenige, die, jener, welche, welcher, welches, wen, wer, diese, dieserthat, who, those, which, that...overthere, thatone, thatoneoverthere, he, it, she, theycelui, ce, celle, celles, ces, ceux, qu', que, qui, celui-là/celle-là, cet, cette, ceux-là/celles-là, il(s)/elle(s), le/la/les, lui/leur, qui/que, applicable, ce/cet/cette, celui/celle/ceux/celles, lequel/laquelle/lesquels/lesquelles, celle-là, celles-là, celui-là, ceux-làche, quelli, quelloأُولَئِكَ, ذَلِك, ذَلِكَ, هَؤُلَاءِtamten, tamty, tende, den, denneεκείνοι, εκείνοςese, eso, esosnuo, tuo, tuotataj, ti, tihあの, それらの그, 그것들의, 저, 그de, den, tamte, tamten, teaquele, aquele, aqueles, aqueles, esse/essaкоторый, те, тотde där, den där, dessa, somเหล่านั้น, คนหรือสิ่งนั้น, อย่างนั้นşu, şunlarđó, những người/vật đó, 那个, 那些 (di)
voornaamwoord
1. <je gebruikt dit woord als je iets aanwijst> Ik vind deze hond leuker dan die hond.
2. <je gebruikt dit woord als je wijst naar iets dat niet dichtbij is> Ik woon in die flat aan het eind van de straat.
3. <je gebruikt dit woord als je over iets praat dat al eerder gezegd is> Ik wil de krant lezen. Waarom heb je die nog niet gekocht?
4. <je gebruikt dit woord als je meer wilt zeggen over iets of iemand> De vrouwen die daar op het plein staan zijn mijn vriendinnen.