deur

Vertalingen

deur

Türdoorporteπόρταpuertaportaдверьportaبَابdveředørovivrataドアdørdrzwidörrประตูkapıcửa ra vàoвратаדלת (dør)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. architectuur plaat die een opening kan afsluiten kamerdeur kastdeur garagedeur huisdeur
(van een bedrijf) dichtgaan, ermee stoppen Na zeven jaar moet het restaurant de deuren sluiten.
met alleen de betrokkenen erbij; zonder publiek een rechtszaak achter gesloten deuren een vertrouwelijk agendapunt achter gesloten deuren behandelen
dat is zo erg dat het zo niet langer kan Onze vriendschap is voorbij. Dat hij mij bedroog deed voor mij de deur dicht.
direct zeggen wat je wilt zeggen Ik val maar meteen met de deur in huis: ons project is mislukt.
erg vaak bij iemand op bezoek gaan Nou komt ze alweer! Ze loopt bij mij de deur plat.
niet goed met elkaar omgaan Wij hebben nu al zo vaak ruzie. We kunnen niet meer door één deur.
2. huis; gebouw De post moet vandaag de deur nog uit.
buitenshuis in een restaurant eten
niet meer bij je ouders wonen De kinderen zijn al jaren de deur uit.
niet buiten komen; niet weggaan Ik heb het zo druk. Ik kom de deur niet uit.