deugen

Vertalingen

deugen

taugenbesuitable, fit, suitconvenir, être bon à (ˈdøxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd deugde , voltooid deelwoord heeft gedeugd
1. goed zijn, in orde zijn Die fiets deugt niet. Ik kan er niet mee wegrijden.
2. geschikt zijn voor Zou ik niet deugen voor leraar?