deugd

Vertalingen

deugd

Tugendmorality, vice, virtuevertuvirtudvirtudeفضيلةmocy美德美德美徳미덕dygd (døxt)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. goede eigenschap in je gedrag Zijn grote deugd is zijn trouw. Iedereen heeft zijn deugden en gebreken.
2. iets maakt je blij Het doet me deugd dat hij eindelijk zijn examen gehaald heeft.