denderen

Vertalingen

denderen

brausen, Geräusch machen, lärmenmakeanoisefaire du bruit, passer avec fracas (dɛnderə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd denderde , voltooid deelwoord heeft gedenderd
hard en met veel lawaai rijden De bus denderde door de straat. Elk kwartier dendert een sneltrein langs ons huis.