degelijk

Thesaurus

degelijk:

solidestevig,
Vertalingen

degelijk

anständig, bieder, ehrlich, gesetzt, honett, rechtschaffen, solidehonest, solid, above‐board, firm, proper, responsible, soundsolide, honnête, solidement, bien, de bonne qualité, fortement, sérieusement, sérieux/-euseattendìbile, compatto, fisso, solidoзвукsomالصوتήχοςзвук声音聲音zvukdegelijkdegelijk (ˈdexələk)
bijvoeglijk naamwoord
1. met een goede kwaliteit Dat bedrijf levert degelijk werk voor een lage prijs.
2. op wie je kunt vertrouwen Het is een keurige, degelijke man, maar ook wel een beetje saai.
3. zeker wel, ook al dacht je dat niet Angst voor computers bestaat wel degelijk.