| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.785.155.949 Bezoekers. |
|
deur |
0,01 sec. |
|
deur zn deur (-en mv) [dør]
1 plaat die een opening kan afsluiten kamerdeur kastdeur garagedeur huisdeur 2 huis; gebouw De post moet vandaag de deur nog uit. de deuren sluiten (van een bedrijf) dichtgaan, ermee stoppen Na zeven jaar moet het restaurant de deuren sluiten. achter gesloten deuren met alleen de betrokkenen erbij; zonder publiek een rechtszaak achter gesloten deuren een vertrouwelijk agendapunt achter gesloten deuren behandelen dat doet de deur dicht dat is zo erg dat het zo niet langer kan Onze vriendschap is voorbij. Dat hij mij bedroog deed voor mij de deur dicht. met de deur in huis vallen direct zeggen wat je wilt zeggen Ik val maar meteen met de deur in huis: ons project is mislukt. bij iemand de deur platlopen erg vaak bij iemand op bezoek gaan Nou komt ze alweer! Ze loopt bij mij de deur plat. niet door één deur kunnen niet goed met elkaar omgaan Wij hebben nu al zo vaak ruzie. We kunnen niet meer door één deur. buiten de deur eten buitenshuis in een restaurant eten de deur uit zijn niet meer bij je ouders wonen De kinderen zijn al jaren de deur uit. de deur niet uitkomen niet buiten komen; niet weggaan Ik heb het zo druk. Ik kom de deur niet uit. Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|