danken

Vertalingen

danken

danken, sich bedanken, verdankenthankremercier, de qc), devoir (à), remercier (qn pourDíkyKiitosdziękiблагодарить (ˈdɑŋkə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd dankte , voltooid deelwoord heeft gedankt
1. laten merken dat je het fijn vindt dat iemand iets goeds voor je gedaan heeft Ik dank je voor de cadeaus.
2. <dat zeg je als je iets dat je aangeboden wordt niet wilt hebben> Wil je koffie? Nee, dank je.
3. iets krijgen door Die leerling heeft zijn diploma te danken aan zijn grote ijver.