dak

Thesaurus
Vertalingen

dak

Dachrooftoit, combletettoسَطْحُ الـمَبْنىstřechatagστέγηtejado, techokattokrov屋根지붕takdachtelhadoкрышаtakหลังคาçatımái nhà屋顶покрив屋頂גג (dɑk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
bovenkant (van een gebouw of een voertuig zoals een auto) Huizen hebben een puntdak of een plat dak.
heel erg blij zijn en dat duidelijk laten merken Toen ik die prijs won, ging ik helemaal uit mijn dak.
het gaat goed en makkelijk
iets aan iedereen vertellen
de schuld krijgen van iets