| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.726.030.448 Bezoekers. |
|
dag |
0,01 sec. |
|
dag1 zn m dag (-en mv) [dɑx] 1 periode dat het licht is; nacht In juni zijn de dagen het langst. 2 periode van 24 uur;= etmaal tien dagen weggaan 1 mei is de Dag van de Arbeid. dag en nacht aldoor maar door;= steeds;= continu dag en nacht werken aan een boek een verschil van dag en nacht een heel groot verschil voor dag en dauw heel erg vroeg voor dag en dauw je bed uit moeten het is morgen vroeg dag we moeten morgen vroeg opstaan lange dagen maken doorwerken tot in de avond of nacht het is kort dag er is nog maar weinig tijd op klaarlichte dag dat zeg je als een misdrijf overdag gepleegd wordt Hij is op klaarlichte dag doodgeschoten. dag aan dag voortdurend, onafgebroken dag in dag uit voortdurend, onafgebroken een dezer dagen vandaag of snel daarna heden ten dage tegenwoordig vandaag de dag tegenwoordig van de ene op de andere dag plotseling goed voor de dag komen een goede indruk maken; goed presteren bij een sollicitatiegesprek goed voor de dag willen komen oude dag hoge leeftijd op je oude dag nog tennissen dag2 tw dag [dɑx] dat zeg je als iemand komt of weggaat
Dag mevrouw, komt u binnen. Dag meneer, tot de volgende keer. zeg maar dag met je handje dat zeg je als iets niet doorgaat Vertalingen dag Tag dag dzień dag zi dag giorno dag dia dag день, дневное время dag فترة النهار, يوم dag den dag dag, dagtimer dag päivä, päiväsaika dag dan dag 一日, 昼間 dag 주간, 하루 dag dag dag เวลากลางวัน, วัน dag ban ngày, ngày Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|