buik

Thesaurus

buik:

voormaagbuikje, pens,
Vertalingen

buik

Bauch, Unterleib, Bäuchleinbelly, tummy, abdomen, stomachventre, abdomen, bedaine, panse, buffet, tirelirebarriga, vientre, abdomen, bandullo, guatabarrigapancia, rumineبَطْنbřichomaveκοιλιά, κοιλίτσαmahatrbuhおなか, 腹部magebrzuch, brzuszekживот, животикmageท้องgöbek, karınbụng, dạ dày腹部, 肚子腹部 (bœyk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -ken
lichaamsdeel onder de borst een dikke buik van veel bier drinken
er helemaal genoeg van hebben; het niet meer willen Ik heb mijn buik vol van zijn mooie praatjes.