bruikbaar

Thesaurus

bruikbaar:

voordeligwinstgevend, werkbaar, praktisch, goedkoop,
Vertalingen

bruikbaar

tauglich, tüchtigofuse, suitableconvenable, propice, utilisable, apte à, apte (à), bon/bonne (à), capable, qui peut (encore) servir, utile, pratique (ˈbrœykbar)
bijvoeglijk naamwoord
onbruikbaar dat je goed kunt gebruiken een bruikbaar alternatief