brug

Thesaurus
Vertalingen

brug

Brücke, Barrenbridgepont, bridge, barres parallèles, passerelle, chevaletγέφυραpuenteмостponteجِسْرmostbrosiltamost다리bromostpontebroสะพานköprücầuגשרмост (brʏx)
zelfstandig naamwoord meervoud -gen
1. soort weg over een rivier
proberen (ze) tot elkaar te brengen
toch doen wat je eerst niet wilde Toen niemand wilde betalen, kwam ik maar over de brug.
2. stukje kunstgebit dat vastzit aan de aangrenzende tanden of kiezen Deze verzekering vergoedt maximaal één brug en twee kronen.
3. gymnastiektoestel met twee ronde horizontale balken brug met ongelijke leggers