brok

Thesaurus

brok:

klontklonter,
Vertalingen

brok

Bruch, Bruchstück, Fleck, Fragment, Stück, Brockenpiece, bit, fragment, lump, clout, chunkmorceau, pièce, fragment, pan, partiepezzo, porzioneقِطْعَة كَبِيرَةkuslunsχοντρό κομμάτιpedazokimpalekomad厚く切ったもの큰 덩어리klumpklocpedaçoглыбаbitก้อนparçakhúc大块 (brɔk)
zelfstandig naamwoord de meervoud -ken
stuk van iets groters
dingen fout laten gaan
<dat zeg je als iets helemaal fout gegaan is>