breuk

Vertalingen

breuk

Bruch, Brechen, Einbruch, Fraktion, Hernia, Knochenbruchfraction, fracture, common fraction, fault, vulgar fraction, breakfracture, hernie, rupture, cassure, fraction, fêlure, coupure, divorce, cassefração, ruptura, fractura, fraturafrattura, frazione, pezzettinoكَسْرpřestávka, zlomeninabrudκάταγμα, σπάσιμοfractura, rupturamurtumaprijelom破壊, 骨折골절brudd, pausezłamanieперелом, перерывfraktur, rastการแตกโดยเฉพาะกระดูก, การแตกหักkırıksự vỡ, vết rạn弄断, 破裂 (brøk)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. plaats waar iets gebroken is een breuk in je bovenbeen polsbreuk
2. getal dat niet heel, niet een eenheid is Voorbeelden van breuken zijn ½, ¼ en ¾.