branden

Vertalingen

branden

brennen, verbrennen, Brand, braten, destillieren, röstenburn, roast, toast, distil, forcebrûler, griller, rôtir, distiller [alcool], être allumé, flamber, graver (dans), se brûler, tabac], torréfier [café, distiller, taperquemar, ardercuocio, bruciareيَحْرقhořetbrændeκαίωpolttaagorjeti燃やす...을 불태우다brenneoparzyćarder, queimarгоретьbrännaไหม้ เผาไหม้yakmakđốt cháy, 烧伤燒傷 (ˈbrɑndə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd brandde , voltooid deelwoord heeft gebrand
1. in brand staan Het huis brandt al urenlang.
2. pijn hebben door te grote hitte of door gloeien je hand branden aan een hete pan brandende lippen
3. (van lampen, kachels) licht of warmte geven Je hebt het licht in de kelder laten branden.
4. (een cd) maken gegevens op een cd branden