opbreken

(doorverwezen van brak op)
Thesaurus

opbreken:

weggaan
Vertalingen

opbreken

stoparrêter, terminer, faire cesser, interrompre (ˈɔbrekə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd brak op
1.
voltooid deelwoord is opgebroken

hier zal ze nog nadelige gevolgen van ondervinden
2.
voltooid deelwoord heeft opgebroken
(tijdelijk) uit elkaar halen een opgebroken straat een tent opbreken