doorbreken

(doorverwezen van brak door)
Thesaurus

doorbreken:

doorbreking
Vertalingen

doorbreken

abbrechen, aufbrechen, brechenbreakbriser, rompre, violer, percerперерывδιάλειμμα (ˈdorbrekə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd brak door , voltooid deelwoord is doorgebroken
1. door breken kapotgaan De dijk is doorgebroken.
2. plotseling bekend worden Na jaren in regionale clubs gespeeld te hebben is die voetballer nu landelijk doorgebroken. Die nieuwe technologie breekt door.
3. de zon komt tevoorschijn Na de regenbui brak de zon weer door.
4.
voltooid deelwoord heeft doorgebroken
door breken in stukken verdelen een reep chocola doorbreken