bouw

Thesaurus

bouw:

bouwsectoropbouw,
Vertalingen

bouw

Anbau, Bau, Bildung, Erbauung, Kultur, Struktur, Züchtungbuilding, culture, structurestructure, construction, culture, bâtiment, chantier (de construction), style, économieκουλτούραculturaстройкаciviltà (bɑu)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud
1. keer dat iets wordt gebouwd de bouw van een huis
2. bedrijfstak van het bouwen in de bouw werken