bot

Vertalingen

bot

(bɔt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ten
been zonder vlees Je bottenstelsel is je geraamte.
door en door het tot op het bot koud hebben
<dat zeg je als iemand heel mager is>

bot

(bɔt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -ten
platte vis
niet krijgen wat je wilt

bot

Knochen, stumpf, albern, arg, dumm, Gebein, rauh, roh, Butt, Flunder, unverblümtblunt, bone, crude, raw, rough, addled, foolish, stupid, boot, callous, dull, obtuse, abruptos, grossier, idiot, rustique, stupide, émoussé, obtus, brut, cru, sot, borné, grossier/-ière, grossièrement, impoli, plie, balourd, lourdaud, contondant, doux, flet, mousse, sourd, terneβλάκας, κόκαλο, αμβλύς, οστόhueso, bota, directo, romobot, franco, ossorapido, diretto, ossoخَشِن, عَظْمَةkost, upřímnýknogle, ligefremluu, tylsäizravan, kost鈍い, 骨무딘, 뼈bein, bryskkość, stępionyкость, резкийben, slöกระดูก, ทื่อdobra, kemikthẳng thừng, xương钝的, 骨头бот (bɔt)
bijvoeglijk naamwoord
1. niet scherp meer een bot mes
2. niet vriendelijk; niet beleefd bot antwoorden