boosdoener

Thesaurus

boosdoener:

snoodaard
Vertalingen

boosdoener

(ˈbosdunər) mannelijk meervoud -s

boosdoenster

malfaiteur/-trice, malfaiteur (ˈbosdunstər) vrouwelijk meervoud -s
zelfstandig naamwoord
wat of wie de oorzaak van iets slechts is