boon

Thesaurus
Vertalingen

boon

Bohne, Faseolebean, haricotharicot, fèvefava, fagioloفُوْلfazolebønneφασόλιfríjol, judíapapugrahbønnefasolafeijãoбобbönaถั่วfasulyeđậu豆子, שעועית (bon)
zelfstandig naamwoord meervoud bonen
1. langwerpige vrucht met zaden erin die je kunt eten bruine bonen koffiebonen
zelf je zaken regelen
2. niet goed weten waar je bent of wat je moet doen