bont

Vertalingen

bont

(bɔnt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
dierenhuid met haar als grondstof (voor bijvoorbeeld kleding) bontjas

bont

Pelz, buntfur, multicoloured, furcoat, furpiece, bright, checkered, skinbigarré, multicolore, fourrure, (linge de) couleur, bariolé, fourrure(s), mêlé, varié, coloré, moucheté, piepeles毛皮毛皮pälsالفراءγούναpielesмехкожаפרווה모피毛皮ขน (bɔnt)
bijvoeglijk naamwoord
1. met veel kleuren een bonte jurk
vol blauwe plekken bont en blauw slaan
doen wat niet mag of hoort
2. met verschillende soorten een bonte groep mensen