bons

Thesaurus

bons:

pof
Vertalingen

bons

coup, boum!bounceBonsbonsbonsBonsBons (bɔns)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud bonzen
1. dof geluid van een klap een bons op de deur
2. een belangrijk man met veel invloed De bonzen bepalen wat er gebeurt in een bedrijf.
3. een relatie met iemand stoppen een werknemer de bons geven