bol

Vertalingen

bol

(bɔl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -len
1. iets dat helemaal rond is wereldbol
2. iets ronds in de grond waar een bloem uit groeit tulpenbollen
3. hoofd een aai over je bol

bol

Kugel, Globus, konvex, Sphäre, Zwiebelsphere, ball, globe, vault, ball‐bearing, bulb, dome, vaultedceiling, crownbulbe, sphère, globe, bombé, boule, pelote, voûte, boulette, convexe, en boule, oignon, rond, vouteμπάλαesferapalla, volta (bɔl)
bijvoeglijk naamwoord
hol naar buiten toe rond bolle wangen
vol zitten met bol staan van de fouten