boef

Vertalingen

boef

Halunke, Gauner, Schuft, Schurke, Spitzbubecrook, rogue, cheatbandit, brigand, coquin, fripon, scélératlestofante, pezzente (buf)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud boeven
iemand die dingen doet die niet mogen Boeven gaan de gevangenis in. Wat een ondeugend kind! Wat een boef!